Bodemprocedure
Schiedam is groot geworden dankzij de spierverslappersi. Aan het einde van de negentiende eeuw was 'Zwart Nazareth' het centrum van de Nederlandsche jenever-industrie. Tegenwoordig wordt de borrel elders gestookt en ontleent de stad zijn status vooral aan het feit dat de interclubbers er jaarlijks hun kunsten komen vertonen.
Zo ook rupsje. Het is alweer de vierde keer dat ik mijn geluk ga beproeven in het Vijflsuizenpark, op het terrein van de voormalige (want eveneens ter ziele) scheepswerf Wilton-Fijenoord. Schiedam ligt me niet speciaal (Cash 4 Cross, 2007; asfalttouché en dubbel-dubbel, 2008), maar ik kom er graag crossen.
Vijf minuten voor het startfluitje arriveren bij de Rabo-permanence (file...), de fiets van de auto halen, van schoeisel verwisselen en uit de kleren gaan terwijl een vriendelijke omstander mij het nummer '99' opspeldt en halsoverkop naar de start sprinten is dan niet teveel gevraagd; geheelonthouding is immers nog veel erger. Je kunt niet altijd een droomstart maken; vorige week heb ik in gelijksoortige condities (guur weer, zompige ondergrond) best aardig veldgereden–de fles (de geijkte maateenheid voor grootgebruikers) is wat dat betreft half vol.
Een gedegen warming-up en een minutieuze parkoersverkenning schelen een slok op een borrel, maar ik denk deze beker wel eventjes in één teug te gaan ledigen, ad fundum. In het kort geding–rupsje versus 23 AA-categoristen, 50 minuten plus 1 ronde–word ik in het ongelijk gesteld.
Want het draait vandaag–zelfs voor mijn doen–voor geen meter. De koude start slaat op mijn longen; de snijdende wind beukt in op mijn immuun-systeem (ik loop ter plekke een verkoudheidje op) en ik vind mijn draai niet, op het onverwacht zware parkoers. Deze bodemprocedure wordt een slepende zaak.
Regelmatig dwalen mijn gedachten af naar comfortabeler oorden, ver weg van deze snotcross. Papbenen, een blafhoest en nagenoeg nul moraal. Op iedere uithoek van het parkoers staan EHBO-ers; die vragen zich waarschijnlijk af waarom ik niet afstap. Ik blijf hen het antwoord schuldig. Vermoedelijk heeft 't iets te maken met een geldingsdrangetje en mijn daarmee niet te rijmen van DNFi's overlopende track record.
Of met het gegeven dat je, eens je begint te proeven van de angusta, steeds dieper in dat glaasje gaat kijken. Afzien bij de beestjes is verslavend, ofzo.
Enigszins ontnuchterend, in deze bocht-koers, is de constatering dat ik ook in de achterhoede geen troost vind. Mijn naaste concurrenten kan ik niet lang partij bieden, laat staan verschalken. Het is een hard gelag, een afzakkertje.
Meer kapot dan mij lief is en vaker en massaler gedubbeld dan ik hebben kan, hoor ik na vijftig minuten de bel voor de sluitingsronde. Daarin realiseer ik uiteindelijk ik een 20e plaats. De op vier-na-laatste. Ik kan me niet voorstellen dat er vandaag mènne met een nóg grotere kater in de rondte hebben gereden.
Pixels: Wilco & Adri, FotoKoos.



















Corniel:
Morgen zou je het allemaal goed maken. :)
Reageren