In dienst
In het jongensboek Door lijden tot vreugde: Rupsje in tweewielerwonderland zijn de Swift-clubkampioenschappen een hoofdstuk apart. Ik zal niet beweren dat ik er altijd 'sta' (al heb ik er wel 'ns eentje gewonnen, naar het schijnt). Maar paaszondag is voor de verenigde Leidse Renners en Toerders traditiegetrouw een dag met een verhaal, met voor Rupsje steevast meer augusta dan angusta.
Het relaas van 2010 begint (net als in 2008 en 2009) op de rollenbank. Nogal wiedes; zo'n CK is domweg te belangrijk voor een koude start. 'Beroepsernstig' een halfuurtje voorgloeien is het devies. Het gaat in overdrive. Bij de eerste pedaalomwentelingen schiet de hartslag omhoog, richting D3. Zou de teller een 50-plusser hebben aangegeven (hetgeen zonder rijwind wel tot mijn mogelijkheden behoort), zou ik daarmee hebben kunnen leven. Helaas, ik zit nog geen virtuele, niet-geijkte 27 per uur weg te duwen. 'Amai, de frietsnijder draait vierkant. In geen velden of wegen ook maar een vleugje Vorm te ontwaren.' Ik versnel, onder impuls van Mastodon en een poging tot visualisatie van de voorgenomen démarrage. 'Snok, snoki, snok.' 40 km/h—over en uit. De regen klettert op het dak van de Brucoschuur; daar peur ik dan maar een beetje Moraal uit.
Zo'n vijftien mènne starten er in de B-categorie ('amateurs B en C, veteranen en overige clubrenners'). Ik ken ze allemaal (een van de charmes van een CK) en kan de zenuwtrekjes van eenieder wel duiden (ook voor hen is dit niet zomaar een eendaagse). Iedereen kent mij (dat is dan weer een van de handicaps van een CK) en het klappen van mijn zweep (lees: de geur van mijn angstzweet). Pluvius heeft zich inmiddels lafhartig teruggetrokken, maar De Bulti ligt er nog lekker vies bij.
Over één ding is de concurrentie in het ongewisse. Dit CK is voorbesproken... Drie mènne hebben tijdens hun gezamenlijke trainingen de voorbije weken een combinei gesmeed: de zigeuner, de rups en de beul. Zulks ter verwezenlijking van een zo hoog mogelijke podiumplek voor laatstgenoemde. Dit vanwege loon naar werken en om koersvervalsing door—met alle respect—laag-allooi-sprintertjes te voorkomen.
De Neut—gezegend met een leeuwenhart en een grote motor, maar niet direct met een diep koersinzicht—is de eerste die hapt. Hij doet niets liever dan op kop sleuren, maar wordt het beu dat die Rups maar aan zijn wiel blijft zuigen en niet overneemt. Dat zou ik normaliter wel even doen, maar nu even niet. De kopman (met wie De Neut al een hele tijd een soort prestigestrijd levert), is zich immers aan het testen in een—ietwat vroege—'alleen vooruit'. Rupsje denkt er het zijne van, maar houdt zich aan zijn woord en fnuikt de achtervolging. De Neut pruttelt van 'Ronddraaien!', maar het duurt even tot hij versterking krijgt. Achterin horen we de veteranissimo mopperen (ook dát is Traditie), waarschijnlijk op ménne die nóg minder windhappig zijn en hem zijn rustige oude dag niet gunnen.
Het CK doet ook dit jaar weer zijn reputatie van afvalkoers eer aan: mènne worden gelost. Niet omdat het zo verschrikkelijk hard gaat (al zitten de niet-licentiehouders goed af te zien), maar omdat een natte Bult garant staat voor lekke banden. Ook podiumpretendenten worden niet gespaard: De Baviaan loopt leeg (en rekt het begrip 'één ronde vergoeding' buitenproportioneel op); de Neut moet een pitsstop maken (voor een fietsenmaker is dat een koud kunstje, natuurlijk) en De Rekenmeester geeft er bij zijn derde lekke band maar helemaal de brui aan (dat scheelt in de Planning; één gevaarlijke catenaccio-klant minder).
Intussen draait ons pélotonnetje zijn rondjes. Zonder de pijnprikkels van onze Swabisten en andere punchers gaat 't er redelijk gemoedelijk aan toe. Rupsje zit onafgebroken van voren. Waar nodig, verijdel ik een uitbraakpoging; wanneer de koers in slaap lijkt te sukkelen, gooi ik een bommetje. De benen lijken te verbeteren; het zweepje knalt vrolijk over alles en iedereen die geen deel uitmaakt van Het Pact.
De Zigeuner laat ik natuurlijk wél rijden, halfweg koers. De wedstrijd ontregelen; de concurrentie wat afbotten; anderen op achtervolging sturen. Dat kan niet te opzichtig, natuurlijk. Dus ik hoop maar dat onze ploeg-binnen-de-ploegmakker—niet altijd even alert—ook zonder telefoneren mijnerzijds in de smiezen heeft dat ik hem een gaatje cadeau doe. De eerste klap is immers een daalder waard; die eerste meters zijn onbetaalbaar. De Zigeuner bevecht een volle ronde solo. De Beul en ik vinden 't prachtig; de rest mag 'm gaan halen.
Eindelijk zien we wat andere mènne opschuiven naar de voorpost. De groep is inmiddels zodanig uitgedund dat verstoppertje spelen, zelfs voor de meest genasjte clubsprintertjes, niet meer aan de orde is. Ziedaar, het tempo gaat omhoog; de koers wordt zowaar een beetje hard. Grupetto compatto was een voorzien scenario; de hergroepering is weldra weer een feit.
De Beul en Rupsje kijken elkaar aan. Welke troef gaan we nu eens uitspelen. VDB komt ook even informeren: 'Ga jij nog iets doen?' Tijdrijders onder elkaar... De stille vennoot wacht het antwoord van de kopman niet af, maar lanceert een gedienstige démarrage. Ook die sterft in schoonheid (aan Rupsje heeft 't niet gelegen; VDB mag van mij overal winnen, behalve in Alphen). De Baviaan, inmiddels terug van lek geweest, sleurt onophoudelijk op kop, alsof hij probeert een aflaat te verdienen voor de nakende diskwalificatie.
De Beul vermoedt dat een massasprint onvermijdelijk is en besluit zijn 11 het resterende kwartiertje schoon te houden. De tijd is gekomen voor Rupsjes afleidingsmanoeuvre annex saluut aan de tifosi: met dank aan De Baviaan, die even zijn boze benen stilhoudt, 'neem' ik een vrijgeleide (zoals de Traditie voorschrijft—combine of geen combine). Alsof ik solo denk aan te kunnen komen, geef ik de Santos wat torsie. Er zit meer snee op dan tijdens de rollenbank-warming-up, maar lang ga ik dit niet volhouden. Zeker omdat ik niemand meekrijg. Stilletjes begin ik De Beul te vervloeken. Diens stalorders zijn tot daaraan toe, maar hij had me toch minstens mogen vergezellen op deze flirt met de Vrijheid.
Die duurt net aan één ronde. Ik heb blijkbaar niet voldoende gegeven, of te weinig overtuiging in mijn donder, want daar is de meute alweer. De vermoorde onschuld veinzend reageer ik even spontaan als verrassend: 'Niet met mij, hè?' Ik ga nog een keer. Alsof ik voor mijn eigen kans rijd. Het is niet direct een levensbedrijgende démarrage, maar het houdt de gemoederen lekker bezig, een rondje of wat voor de Finale aanbreekt.
Dat spelletje speelt Rupsje niet meer mee. Die tweede cartouchei had 'ik beter op zak gehouden, want eens ik weer word ingerekend en het spel op de wagen gaat, kan ik nog maar nét aanklampen aan het laatste wiel. Het verkeerde wiel, want het behoort toe aan een lossende clubgenoot.
Derhalve kan ik mijn kopman niet van dienst zijn in de sprint (hoe ik dat zou hebben gedaan is dan weer een heel ander, nog ongeschreven, chapiter) en soleer ik nog twee-en-een-halve ronde achter de feiten aan. Buiten mijn gezichtsveld neemt De Baviaan, onvrijwillig, mijn dienst als sprint-aantrekker waar. De Beul toont zich een terecht kopman en duikt—hem kennende met doodsverachting en gevaar voor andermans leven—naar zijn podiumplaats. De tweede, want op dark horse Gio hadden we niet ingezet. Nét een jaar lid, en dan al clubkampioen: zalig is de jeugd. Marcus, volgens de regerend (maar vandaag niet gestarte) clubkampioen al weken in goeden doen, is de derde op de fotofinish.
Rupsje is met zijn achtste stek voorwaar niet ontevreden. Hoger ben ik in een weg-CK nog niet geëindigd; veel beter, althans gemakkelijker, heb ik 'thuis' op Pasen nog niet gereden. En ik weet me verzekerd van een wederdienst, tezijnertijd. De Beul staat bij mij in het krijt (wielrenners—of wat daarvoor moet doorgaan—schrijven zoals bekend met watervast, onuitwisbaar krijt). Daarover later—uiteraard pas achteraf—meer...
Fotograaf van dienst: Hans Egberts



















Corniel:
De Beul mag u dankbaar zijn. Een sympathieke geste. Ik schitterde zoals genoegzaam bekend door afwezigheid. Was 'baancommissaris' bij heen schaaktoernooi. Ook leuk. :)
Reageren