Kantklossen
Daar hang je dan, in je semi-klassieker, na een verplaatsing van 160 kilometer (enkele reis), op driekwart van de eerste omloop (van 14), een meter of twintig van het eerste péloton. Leuk is dat, koersen...
In de 21e Sint Jozef Klassieker, een co-produktie van de Nederlandse Wielren Bond en Tour- en Wielerclub De Zwaluw, komt het aan op 'kantklossen'. Rupsje—niet 's werelds meest vermetele wringer en bovendien erg zuinig op zijn postorderbruidje—klost kant noch wal.
Om te beginnen word ik in Someren-Heide achterin het ruim vijftig mènne tellende deelnemersveld opgesteld. Voor ons liggen een kleine driehonderd meter Kerkendijkklinkertjes en de afslag Smulderslaan. Ergens daartussenin moet ik zo'n twintig plaatsen opschuiven, want dat laantje ligt haaks op de wind en is hooguit tien à vijftien sturen breed. Daar wacht, met andere woorden, de waaier. Daar wordt het, voorwaar, oorlog.
Naar goed Nederlands amateurgebruik wordt er niet getreuzeld bij het vertrek. De vlucht naar voren is begonnen; ik sprinti mee, omdat ik nu eenmaal geen keuze heb. Wil ik de eerste schifting overleven, moet ik die cartouchei verschieten. De staart van het péloton zwaait vervaarlijk heen en weer. Met veel pijn en moeite bemachtig ik een plekje tussen het wiel voor me en de berm. In theorie zit ik daar goed, want 'uit de wind'. Maar het geslinger, de bruuske tempoversnellingen en de gedachte dat ik misschien aan het verkeerde wiel zit te zuigen, maken me nerveus.
Ik opteer voor de rechter weghelft en probeer, in het zog van enkele collega slow starters, 'door de wind' wat op te schuiven. Boreas in Brabant: de spaken van de Mavics fluiten; de knie- en armstukken lijken wel poreus en de coureurs om me heen wapperen als bordkarton. Rupsje trekt een slijmspoor. De dijen trillen; de longen staan in brand. 'Dit konden wel eens tachtig hele zware kilometers worden; welkom in "jouw" wereld', bries ik mezelf toe.
Bij het aansnijden van bocht nummer twee, de Limburglaan in, stel ik vast dat ik bij lange na nog niet 'van voren' zit. Ik overzie het langgerekte lint (voorovergebogen ruggen, wijd uitstekende ellebogen) en hoor de kettingen naar de kleinste kransjes springen. Recupereren is er niet bij. Windje mee drummen richting de bocht naar de Kraaiendijk. Mijn voorligger remt onverwachts en Boreas deelt nog een linkse hoek uit. Mijn cross-reflexen zijn nog intact. De berm is barmhartig: keurig gemaaid en niet al te diep.
Rupsje mag het gaatje wél zelf dichtrijden, want de heer 'Anker' houdt de benen stil (dat remmen bevalt 'm blijkbaar goed) en ook van achteruit is er eventjes weinig Goesting. Vóór ons verbrokkelt het péloton. Slecht nieuws, want dat betekent dat het niet stilvalt en dat er veel 'lijken' moeten worden geborgen (i.e. omzijld).
Zelf zit ik inmiddels ook meer dood dan levend op de fiets. Slachtafval. Op wilskracht en een debiel verzet maak ik de Grote Oversteek en boor ik mijn voorwiel tussen de berm en het achterste van de hekkensluiter van het péloton. Diens rode lantaarn gaat echter snel uit. Hij laat lopen—onaangekondigd... Eens ik erlangs ben en we de finishstraat opdraaien, kan ik de rugnummers voor me niet meer lezen. Kruis erover. Althans, een deftige klassering in deze 'Jozef' is van kant.
Na wat gehouwdegen over en weer vormen rupsje en de overige geslagenen een tweede waaier, die gestaag doorbeukt en steeds meer mènne oppikt. Halverwege ronde twee krijgen we zowaar weer zicht op het péloton (minus kopgroep, naar ik vermoed). Dat geeft Moraal. Maar als wij echt zo sterk waren, dan hadden wij daar wel gereden...
De organisatie in ons grupetto laat te wensen over. Er wordt verzaakt, te langzaam en te hard overgenomen. Het zeveren laat ik maar aan anderen over ('verdoeme' zus en 'inhouden' zo). Rupsje doet veel kopwerk. Dat verslindt weliswaar krachten, maar geeft me ook een vaste plek op de voorpost. En daar fietst 't nét ietsje gemakkelijker dan aan de rekker.
Het rondebord ('vakkundig' bediend door de bejaarde juryleden van de 'wilde bond') telt af (en soms op). Intussen houd ik mezelf bij de les: 'Zo blijven rijden; je niet meer laten verrassen; deze mènne kun je hebben in de Finale; een klassering zit er nog altijd in.' De benen doen zeer, maar voelen aan alsof ze nog heel lang kunnen lijden. Ik kan me vergissen, maar volgens mij rijd ik twee tandjes lichter dan de ménne die met mij de kastanjes uit het vuur halen. Degenen die niet meedraaien happen, denk ik, zoveel wind dat ik ze er straks in de sprint wel opleg.
Het mag niet zo zijn: met nog vier (?) ronden te gaan wordt ons péloton gedubbeld door drie breed grijnzende koplopers en worden we gesommeerd de koers te verlaten—aan de kant gezet. De 25 resterende masters 40+ volgen op gepaste afstand en in een ogenschijnlijk gezapig tempo. De slag is immers al geslagen.



















Rob T:
Tja, met al die wind moest je direct van voren zitten. Achteraan starten is dan niet de meest geschikte plek. Met dat kantklossen schiet je wel in de roos, dat is het idd. Ook niet mijn favoriete onderdeel. Jammer dat ik je naderhand niet meer ben tegengekomen, de ontmoeting vooraf wat te kort, en mijn gedachten waren al bij de wedstrijd, een beetje gespannen, en dat voor een 50+er, waar zijn we mee bezig :-)
Gr. Rob
Corniel:
Dat met je bakkes tegen de wind in beuken. Dat ken ik sinds afgelopen zondag ook weer. Bij St. Jozef, wat is dat zwaar. Mijn gedachten gaan naar jou, en je afgematte benen uit. Amen.
Jeroen:
Dat klinkt als afzien...ik kijk nu al uit naar de Omloop van Peel :-)
Anonymous:
Omloop der Peel, ik als meest noorderlijke swift rijder zal er bij zijn. Ik hoop toch uit te rijden. Bruco ook aanwezig???
Bruco:
Mènne, geen Omloop der Peel voor mij. In plaats daarvan een driedaagse rock-estafette (http://www.roadburn.com/roadburn-2010/). Jullie veel plezier in het waaieri-walhalla...
Moker uit Voorschoten:
onderwerp! :)
Reageren