Leids Belegen
Daags na de Joop Zoetemelk Classic wacht het rupsje alweer een zware opgave: overleven in de Open Kampioenschappen van Leiden. Burgemeester Van der Werff stond—zo wil de mythologie—tijdens het Beleg van Leiden zijn arm af om de hongersnood onder de bevolking te ledigen; Bruco betreedt het strijdtoneel zonder benen (die liggen nog ergens in Oud Ade, na de onslaught van gisteren).
Was het startersveld in Alphen nog vergevingsgezind; in Leiden staan er—uiteindelijk (om half tien is het nog angstvallig stil in de Swift-kantine)—achttien hongerige coureurs aan het vertrek in mijn categorie (van kwaad tot erger: amateurs, junioren, beloften en élite).
Om maar eens een name te droppen: André van Reek. Die handhaafde zich afgelopen jaar (toen nog in Swabo-tenue) tijdens het NK wielrennen bij de élites als enige niet-voltijds-prof in de kopgroep. De koers van vandaag is voor hem dan ook een koud kunstje (dat Van Reek dan ook feilloos flikt).
Maar ook de iets mindere goden hebben genoeg in huis om Bruco eens (en altijd) flink uit te wringen. Aan de andere kant: ik ben vandaag in goed gezelschap, want er staan nogal wat kameraden van de Swift Ama-B express op de startlijst. Misschien zijn we niet de meest succesvolle formatie aller tijden, we zijn wèl de leukste(n thuis).
Neem 'De Baviaani'. Zo'n beetje ín het startschot geeft 'ie zijn (aan alle kanten rammelende) Gazelle de sporen en begint aan een zinloze—dus fraaie—solo. Waarvoor dank, want de Oppositie is hiervan zodanig onder de indruk dat er de eerste ronden piano wordt gespeeld. En Bruco neemt graag de tijd om te 'acclimatiseren'. Dieseltje, dieseltje aan de wand... Enfin, jullie kennen het verhaal.
Helaas zijn des Baviaans escapade en het belegen koersverloop geen lang leven beschoren. Weldra wordt er met scherp geschoten. Ook kansloos, maar het volstaat om het rupsje naar de staart van het péloton te dirigeren. Ik kijk 'ns over mijn schouder en zie de Gapende Leegte. Daarin kun je zomaar verdwijnen; ik moet dus maken dat ik opschuif. Zeker omdat daar ergens vooraan naar hartelust wordt 'geprakt'.
Het 'stief kwartiertje' duurt vandaag maar tien minuten. Eens die in de benen (welke?) zitten, en het spul zo nu en dan wat stil valt ('t is mooi weer, maar er staat een straf windje), begeef ik me naar veiliger oorden. De 'buik van het péloton'. Die rammelt (ik hoor Ilja droogjes klagen dat 'ie 'in de rode cijfers' rijdt—vertel mij wat) en dunt uit, maar we trekken de broekriem aan en doen het op reserve.
De meerdere goden gaat zulks niet rap genoeg, dus die gaan vliegen. 'Air Bruco' doet niet aan 'intercontinentaal' geweld en geeft de élites ruim baan. En zijn medepassagiers passen ook. Liever iets overhouden voor als er een gelijke ten aanval trekt.
Daarop is het niet lang wachten. Ilja (die van de 'rode cijfers', maar nog altijd bijnaamloos) neemt het initiatief en claimt een paar meter. Rupsje, inmiddels niet meer weg te branden uit de voorste gelederen, poeft ernaartoe. Op avonturiersinstinct, maar (nog steeds) zonder benen. In deze ontsnapping is 'ie van generlei toegevoegde waarde: tegen de wind en De Bulti kan 'ie het amper bijbenen, laat staan overnemen. Ik wens Ilja succes en laat me inlopen; de koers is immers nog maar amper een half uurtje jong.
Na enkele ronden verlossen we Ilja uit zijn Lijden. Niet omdat we 't niet kunnen hebben dat hij vandaag de best of the rest wordt (op onze ploegentactiek is vandaag weinig aan te merken, trouwens), maar omdat 'ie zo oeverloos blijft zwemmen (niet dichter bij de koplopers geraakt en ook niet verder van ons wegrijdt).
Het spel kan dus van 'voor' af aan op de wagen. Zeer tot mijn genoegen kan ik mee sleuren en prikken in de tweede garnituur. Maar er staat geen haar op (gelukkig kan niemand onder mijn beenstukken kijken...). Wat ik ook probeer (of nalaat te proberen—Baviaans 'Ga maar!' bovenop De Bult is aan mijn zuurstokkeni niet besteed), er plakt vroeg of laat van alles aan mijn wiel. Soit. Bruco gaan ze er niet afkrijgen, vandaag.
Zeker niet als hij, en met hem de voltallige Express, de koers lam legt met het oog op een veelbelovende attaque van De Premiejageri. Het Open Kampioenschap van Leiden kent geen premies, ronden-klassementen of andere materiële prikkels, maar tóch gaat 'ie ervoor. Omdat 'ie goed is. Omdat 'ie goesting heeft.
De Oppositie neemt ons het afstopwerk niet in dank af. 'Rije!', klinkt het verongelijkt, uit die paar zere strotten die het nog wagen hun neus aan ons venster te steken. 'Wij hoeven niet zo nodig, jûh', luidt ons eendrachtige en machtige antwoord.
Wielrennen zou wielrennen niet zijn als hullie van de Oppositie uiteindelijk dan toch wel zonodig moesten. De bel is immers geluid voor de laatste drie ronden. De vlucht van De Premiejageri wordt verijdeld en ineens doet iedereen weer mee. Het ware mooi geweest als het de tussen De Baviaan en Bruco 'gecombineerde' rupsenoffensief in de op-één-na-laatste toer was verwezenlijkt.
Maar ik ben inmiddels wezenloos moe; die aanval komt er niet meer. En in het defilé der sprinters ken ik mijn plaats: als laatste der senioren druk ik mijn voorwiel over de meet. Tevreden.
'Het is niet altijd de beste die wint', grap ik bij het binnengaan van het clubhuis. Terwijl onze onvolprezen juryleden zich buigen over de officiële einduitslag (de bloemen en medailles van 'ons' Open Kampioenschap gaan naar 'allochtone', d.w.z. niet-Swift-renners), krijg ik lovende (maar nutteloze) recensies. 'Man, wat reed jij gemakkelijk.' Ze moesten eens weten...



















Reageren